Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1199

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7093 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek?


Uitspraak

06/7093 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2006, 06/1585 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Voor appellant is verschenen mr. Vetter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN 1. Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker in een koelcel voor hij op 26 februari 2001 uitviel ten gevolge van lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellant de wachttijd had doorlopen, is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van een medische en arbeidskundige herbeoordeling van het recht op uitkering heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2003 de WAO-uitkering met ingang van 25 april 2003 ingetrokken. Aan dit besluit lag ten grondslag een rapportage van de arbeidsdeskundige J. Kuilman waarin is aangegeven dat appellant geschikt kan worden geacht voor onder meer de functies van vleeswarenmaker/slachter, productiemedewerker metaal en industrieel schoonmaker. Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet heeft appellant zich vervolgens per 21 februari 2005 ziek gemeld met diverse klachten van lichamelijke en psychische aard. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere spreekuren bezocht bij verschillende verzekeringsartsen. Verzekeringsarts E. Tolsma heeft appellant laatstelijk op 10 februari 2006 op het spreekuur gezien. Deze arts is op basis van eigen onderzoek en de beschikbare informatie van huisarts M. Staal van 17 november 2005 tot de conclusie gekomen dat appellant volledig geschikt is te achten voor de geduide functies in het kader van de eerdere WAO-beoordeling. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 10 februari 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet. Bij besluit van 4 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2006, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek, ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de klachten en beperkingen door het Uwv onvoldoende onderbouwd zijn vanuit de bestaande medische informatie en onderzoeksgegevens nu er voorafgaand aan 10 februari 2006 sprake was van ernstige psychopathologie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van psychiater H. Loen van 11 juli 2008 overgelegd. Nu de standpunten van de verzekeringsartsen en de behandelend arts tegenover elkaar staan, dan wel de aangedragen medische gegevens reden geven tot twijfel aan de juistheid van vastgestelde beperkingen is er volgens appellant aanleiding tot het inschakelen van een medisch deskundige. Tevens heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest nu er geen tolk bij het onderzoek aanwezig is geweest. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Verzekeringsarts Tolsma heeft, op basis van de informatie van de huisarts waaruit blijkt dat de diabetes mellitus goed is ingesteld en de hypertensie goed is gereguleerd, en het lichamelijk en psychisch onderzoek waarbij geen imposante afwijkingen werden gevonden, geconcludeerd dat bij appellant geen sprake is van een toename van de beperkingen ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling en dat appellant derhalve geschikt moet worden geacht voor de destijds geduide functies. De bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek is na onderzoek, waarbij ook de informatie van 24 maart 2006 van psychiater Loen – waarin wordt gesteld dat de depressie van appellant in 2004 na hervatting van Clomipramine snel herstelde – is meegewogen, tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant. Met betrekking tot de brief van 11 juli 2008 van psychiater Loen is de Raad van oordeel dat deze geen nieuwe gezichtspunten bevat ten opzichte van de brief van 24 maart 2006. Daarbij tekent de Raad aan dat uit de brief van 11 juli 2008 blijkt dat op basis van de heteroanamnese sprake is van angsten die mogelijk psychotische vormen aannemen, maar dat Loen de medicatie desondanks ongewijzigd heeft gelaten. Nu voorts is gebleken, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft bevestigd, dat de behandeling van appellant sinds 24 maart 2006 niet is veranderd, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk psychiater. 4.2. Ten aanzien van de grief dat sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek omdat bij het onderzoek door de verzekeringsartsen – in weerwil van het feit dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen – geen tolk aanwezig is geweest, overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat uit het rapport van verzekeringsarts Tolsma van 10 februari 2006, waarin de verzekeringsarts het dagverhaal van appellant kort heeft weergegeven, niet blijkt van een dermate gebrekkige communicatie tussen appellant en de verzekeringsarts dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig zou zijn uitgevoerd. Nu bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek, zoals blijkt uit zijn rapportage van 28 maart 2006, de informatie van psychiater Loen bij zijn beoordeling heeft meegewogen, en, gelet op de weergave van de nadere gegevens naar aanleiding van het spreekuur op 22 maart 2006, ook niet is gebleken van ernstige gebreken in de communicatie tussen appellant en de bezwaarverzekeringsarts, ziet de Raad niet in welke informatie als gevolg van het ontbreken van een (professionele) tolk zou zijn gemist of onvoldoende in de afweging zou zijn betrokken. 4.3. De Raad is derhalve van oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht het besluit van 15 februari 2006 heeft gehandhaafd waarbij is bepaald dat appellant met ingang van 10 februari 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld in de zin van de ZW. 4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) J.F. Bandringa. (get.) P. van der Wal. JL